Arnoldus van Dalen was in het begin van de achttiende eeuw als soldaat verbonden aan het Staatse leger. In 1717 diende hij onder kolonel Zixma en was zijn regiment gelegerd in Coevorden. Het betreft het infanterieregiment dat in de bronnen wordt aangeduid als IR 671e.
Zijn militaire loopbaan bracht hem vervolgens naar verschillende garnizoenssteden in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en de Zuidelijke Nederlanden. Het regiment lag in 1720 te Doornik, in 1722 te Namen, in 1725 te Maastricht en Deventer, in 1731 te Kampen, Steenwijk en Stavoren, in 1734 te Bergen op Zoom, in 1737 te Veurne en in 1746 te Harlingen.
Rond 1717 verbleef Arnoldus in Maastricht, waar hij volgens de beschikbare gegevens in aanraking kwam met de Waalse kerkelijke gemeenschap. Op 31 januari 1717 wordt in verband met hem een betrokkenheid bij de Église Wallonne genoemd. Mogelijk heeft hij daar ook zijn latere echtgenote leren kennen. Een formele aansluiting bij de Waalse Kerk kan op basis van de nu beschikbare gegevens echter niet met zekerheid worden vastgesteld.
Arnoldus trouwde met Catharina Copkes/Coppius, gedoopt op 24 juli 1695 en overleden op 26 mei 1759. Het huwelijk wordt in verband gebracht met Coevorden. In de bronnen komen verschillende schrijfwijzen van haar naam voor, waaronder Copkes, Coppius en Kopkens.
Op 12 oktober 1722 werd in de Rooms-Katholieke Sint-Catharinakerk te Maastricht een zoon, Joachim, gedoopt. Als ouders worden vermeld Arnoldus van Dalen en Catharinae Kopkens (Brabant). De doopgetuigen waren Joachem Delkus en Elizabeth van der Haegen.
In dezelfde periode bevond Arnoldus zich met zijn regiment in en rond Namen. Van een zoon
Jan Everts wordt vermeld dat hij in Namen geboren zou zijn. Dit gegeven verdient nog controle aan de hand van de oorspronkelijke geboorte- of doopinschrijving.
In de jaren daarna bleef Arnoldus als soldaat met zijn regiment rondtrekken. Uiteindelijk werd Kampen een belangrijke verblijfplaats voor het gezin. Daar werden twee kinderen gedoopt: Andries in 1733 en Antoni (Antonie) in 1735.
De volkstelling van 1748 vermeldt Arnoldus in Kampen als soldaat. Hij woonde toen in het Cellebroederskwartier aan de Groenestraat. Daarmee is hij in ieder geval in 1748 duidelijk als inwoner van Kampen terug te vinden, terwijl hij nog steeds als militair werd aangeduid.
Op 5 juni 1752 werd Arnoldus van Dalen voogd over het zoontje van Jan Telling en Janna van Dalen. Deze benoeming laat zien dat hij binnen de Kampense gemeenschap voldoende vertrouwen genoot om deze wettelijke verantwoordelijkheid te dragen.
De levensloop van Arnoldus van Dalen weerspiegelt daarmee het mobiele bestaan van een beroepssoldaat in de eerste helft van de achttiende eeuw. Zijn militaire dienst bracht hem naar talrijke garnizoensplaatsen, terwijl zijn gezin zich in verschillende plaatsen manifesteerde in de kerkelijke registers. Vanuit Coevorden, Maastricht en Namen liep zijn levensweg uiteindelijk naar Kampen, waar hij zich in de jaren dertig en veertig duidelijker vestigde.
Arnoldus van Dalen was daarmee niet alleen soldaat onder kolonel Zixma, maar ook echtgenoot, vader en uiteindelijk een gerespecteerd lid van de Kampense gemeenschap. Zijn benoeming tot voogd in 1752 vormt een van de laatste bekende aanwijzingen voor zijn maatschappelijke positie in Kampen.